Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Aandoen.

Aandoen betekenis

(kleren) aantrekken | (iemand iets) berokkenen | (iets) aantasten

Voorbeeldzinnen (20)

Maar ik was ook geïnteresseerd in de menselijke tragedie, die vicieuze cirkel van wat mensen elkaar aandoen en blijven aandoen.

Ik zal u alleenlijk geen quaat aandoen: maar ook de geen, die u quaat aandoen wil, afweeren; want ik heb ook een vader, die u in jaren gelijk is.

Zou u alstublieft het licht willen aandoen?

Je moet niet tegelijkertijd de strijkbout, de waterkoker en de radiator aandoen.

Dat kunt ge ons niet aandoen.

Als je niet ziek wilt worden, moet je je trui aandoen.

Het is koud buiten, je moet een jas aandoen.

Willen jullie je schoenen aandoen, we gaan!

Dat kun je haar niet aandoen!

Dat kun je ons niet aandoen!

Die schande kun je me niet aandoen!

Ik heb nooit gedacht dat je mij dat zou willen of kunnen aandoen.

Wil je de buitenlamp even aandoen?

Wil je het licht aandoen?

Wat zou ik aandoen: een broek of een rok?

Ik wil niemand nog problemen aandoen.

Waarom zouden ze me dit aandoen?

Welk T-shirt zal ik aandoen?

Hoe durft ge hem dat aandoen!

Hoe durft ge haar dat aandoen!