Bekijk voorbeeldzinnen, synoniemen en woordvormen van Aanhoren.

Aanhoren

Aanhoren | Aanhorend

Aanhoren betekenis

horen naar iemand, luisteren | zich ~: moeten nemen om iets te beluisteren | elkaar ~: vaak beleefdheidshalve naar elkaar luisteren

Synoniemen van Aanhoren

Voorbeeldzinnen (20)

Ik wil haar voortdurende gezeik niet meer aanhoren.

Ik wil je gejank niet meer aanhoren.

Ik moet het niet meer aanhoren.

Nu moet je me wel aanhoren.

Ik wil het niet langer aanhoren.

Ik wil het niet meer aanhoren.

Goede spreuken, wijze leringen moet je in praktijk brengen, niet alleen aanhoren.

Hoe kan je dat aanhoren?

Tom moet ons aanhoren.

En ik moet ze maar aanhoren.

Ik kan die verhalen over geneuk met sterren niet meer aanhoren.

Na al de keren dat je ons gered hebt, zouden we het moeten blijven aanhoren... als we dat niet bij jou deden, hè?

Ik heb dat jaren moeten aanhoren.

Haar aanhoren, was geen pretje, maar ik heb haar uitgehoord.

Twee maanden lang iedere week aanhoren... hoeveel mijn zoon me haat.

Wilt U me aanhoren ?

Ik heb vijf minuten moeten aanhoren wie van de twee nou poepie is.

Ik kan deze muziek niet meer aanhoren.

Ik kan het niet aanhoren.

Alleen speelbaar door hoog virtuoze muzikanten, en niet altijd het aanhoren waard.