Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Aankleden.

Aankleden

Aankleden | Aankleding

Aankleden betekenis

meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien, decoreren, versieren | iets of iemand kleren aandoen | zich ~: zijn kledij aantrekken

Aankleden translation to English

Voorbeeldzinnen (20)

Keuken aankleden met trendy keukenaccessoires Keuken aankleden met trendy keukenaccessoires De keuken is de ruimte in huis waar alles bij elkaar behoorlijk wat uurtjes worden doorgebracht.

In het leger moet je je in twee minuten aankleden.

Ik moet me aankleden voor school.

Ik ben me nog aan het aankleden.

Waarom moet ik me netjes aankleden?

Ik kan me niet alleen aankleden. Kun je me alsjeblieft helpen?

Moet jij je niet aankleden?

Ik ga mij aankleden.

Sorry, ik moest me even aankleden.

Dan kan ik me aankleden terwijl ik m'n ontbijt maak.

Nee, mij aankleden deed hij niet.

Als verzorgende helpt Puck ouderen in en uit bed, met douchen en aankleden, bij het aantrekken van steunkousen, medicijnen en andere verpleegkundige taken, zoals katheteriseren en injecteren.

De achteruitgang is van die aard dat de persoon in kwestie moeite heeft met dagelijkse activiteiten zoals zich zelfstandig aankleden of verzorgen, eten koken, naar de winkel gaan, enzoverder.

De enige voorwaarde was dat hij mij mocht aankleden.

Geen al te zacht beddengoed, niet te warm aankleden, goed ventileren, de eerste twee jaar geen dekbed gebruiken en het bed zo opdekken dat de baby niet met zijn gezicht onder het deken kan komen.

Het begint bij de ‘Sprint’, die je zeer beperkt kunt aankleden.

Het kan gaan van hulp bij het wassen, aankleden, koken of bijvoorbeeld boodschappen doen.

Het veranderend gedrag kan zich uiten door: achterdocht, boosheid, frustratie, angst, ontremming, onrust, verlies van initiatief (niet meer willen wassen of aankleden), nabijheid zoeken, voortdurend vragen stellen.

Ik wilde die bij wijze van spreken aankleden en als een antropoloog beschrijven.

Je moet je alleen wel wat warmer aankleden.