Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Beefden.

Beefden

Voorbeeldzinnen (11)

Toms handen beefden.

Mijn benen beefden.

Zijn handen beefden.

Mijn handen beefden.

Yanni's handen beefden op het stuur.

De arme jongens beefden van angst.

Toen beefden ze even in Den Haag maar toch kwamen de aanjagers er allemaal mee weg.

Haar handen beefden zo van de zenuwen dat ze haar wijn met 2 handen moest vasthouden, en dan nog morste ze haar broek onder.

Het waren de mensen met een zwakke karakter die of beefden voor de dreigementen van de moslimheersers of zich lieten omkoepen voor geld en positie om moslim te worden.

Toen ze op de eerste Sjavoeot de glorie van Hashem met hun eigen ogen zagen en met hun eigen oren hoorden, en Israël de Tora van Hashem ontving, beefden de kinderen van Israël met vreze.

Zijn handen beefden onophoudelijk.