Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Bikkel.

Bikkel

Bikkel betekenis

een klein klompje hard materiaal, meestal in de vorm van een botje dat gebruikt wordt om op te gooien in het bikkelspel | overdrachtelijk iets erg hards | een persoon met heel veel doorzettingsvermogen, iemand die heel stoer is

Voorbeeldzinnen (20)

Ben je een bikkel ?

Bikkel, kijk eens wat mijn zoon jaagde.

Bikkel of Vlinder moeten ook consultant worden of een communicatie-adviesbureau beginnen.

Daar krijg je doodongelukkige kinderen van, met syndromen als Bikkel, Sem, Zonne, Sterre en Mereltje.

Een zoon zou ik overigens 'Bikkel' genoemd hebben.

Guno een bikkel en Iwan een rechtvaardig persoon, die goede bedoelingen had met zijn geboorteland.

In de herfst en in de lente, maar ook in de winter als je een bikkel bent, kun je bovendien lekker warm blijven op de motor.

Of gewoon als een bikkel warm erin?

Want je bent een bikkel als je in deze periode op de fiets naar je werk komt.

Wel als dat gepaard gaat met onzinnig gekweel over hoe Bikkel en Bloem nu weer op onnavolgbare wijze hun bord hebben leeggegeten.

Bikkel is getrouwd met Dik de Harde (52) uit Gendringen.

Dan ben je pas een bikkel.

Dat was ook zo'n bikkel die bleef doorwerken tot het eind.

Die zal zich willen bewijzen, laten zien dat ze net zo'n bikkel is als de boys.

Harry is een bikkel.

Ik heb het voor je opgezocht bikkel.

Ik was een bikkel vroeger.

Maar het is een bikkel gebleken.

Pfff, kokwaus de stoere bikkel, een oorvijg en hij rent met een volgekakte boxer naar z’n moesje….

Zijn oom zat op volleybal en liever was Bikkel ook gaan volleyballen.