Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Bonthandelaar.

Bonthandelaar

Bonthandelaar betekenis

iemand die behaarde dierenvellen of daaruit vervaardigde kleding doorverkoopt

Voorbeeldzinnen (8)

Johns grootvader was een bonthandelaar en koopman, terwijl zijn vader een lokaal ambt in de stad bekleedde.

Gyda Josephine Mathilde Sohlberg werd als vierde van elf kinderen geboren binnen het gezin van bonthandelaar Johan Vilhelm Sohlberg en Johanne Larsdatter Viker.

Ze is getrouwd met een bonthandelaar.

Dan weer zijn ze een echtpaar dat in een Coen brothers-achtige setting worstelt met een gekooide maki en een criminele bonthandelaar, dan weer is het 1947 en zijn ze in een statig landhuis waar spirituele seances plaatsvinden.

In de nacht van zondag op maandag hebben onbekenden omstreeks twee uur een etalageruit ingegooid in de bontzaak van de 50 jarige bonthandelaar CH.

David Thompson, een bonthandelaar van de Northwest Company, maakte de eerste kaart met de volledige loop van de rivier in 1811-1812.

Financiering De bibliotheek kon gerealiseerd worden door de nalatenschap van de vermogende ondernemer (bonthandelaar) John Jacob Astor.

Tante Sidonia heeft een neef, John, die pelsjager en bonthandelaar in Alaska is.