Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Brandden.

Brandden

Voorbeeldzinnen (20)

Ze brandden van enthousiasme.

Zijn wangen brandden van schaamte.

Er brandden meerdere kaarsen.

Achter mijn ogen brandden tranen.

In plaats daarvan brandden de motoren 127 seconden lang.

In slechts drie vertrekken brandden er kachels: de keuken, de ziekenkamer en in de kamer van de aspirant-nonnen, die als gast in het klooster verbleven.

In sommige delen van Noorderwijk en Hezewijk brandden de lampen weer om 20.40u.

Op de gevel van het Wagner-hoofdkwartier in Sint-Petersburg brandden woensdagavond de kantoorlichten in de vorm van een kruis.

Vier jaar later brandden ze Barcelona plat, vermoordden alle bewoners of maakten hen tot slaaf, verwoestten in 987 het Portugese Coimbra, dat daarna zeven jaar lang onbewoond bleef en vernietigden Leon en omgeving.

De mannen van de cabaretgroep NUHR brandden elkaar op de bühne regelmatig tot aan de grond toe af, maar bleven evengoed altijd dik bevriend.

In het open kantoor van Deusjevoo hangt feestverlichting op: in het begin brandden die drie keer per dag een uur.

Rond 22.10 uur brandden daar meerdere tractorbanden op de Bestseweg.

Vorig jaar brandden tienduizenden hectaren bos in het hele land af na een enorme hittegolf en droogte.

De brandweer wist te voorkomen dat de brand oversloeg naar buurpanden, maar de inboedel was niet meer te redden; beide woningen brandden volledig uit.

De lichten in de woning brandden nog, terwijl de rolluiken al waren afgelaten.

En nu komt de grote Duitse arrogantie: OLED panelen van de eerste generatie brandden wel erg makkelijk in.

Of hun achterlichten brandden of niet, kan ik niet zeggen.

Ook in Den Helder en IJmuiden brandden auto’s uit.

Ook kwam er rook uit hun mond, omdat ze van ‘binnen altijd brandden’.

Op de tafels daar lagen speelkaarten, er brandden waterpijpen en de koffiemachine stond op.