Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Bukken.

Bukken

Bukken betekenis

vooroverbuigen, je verlagen tot iets | zich ~: het lichaam geheel voorover buigen (om bij iets lagers te komen)

Voorbeeldzinnen (20)

Bukken, bukken en nog eens bukken voor de booslims.

Mensen die gewend zijn om te bukken gaan nog dieper bukken.

Vooral blijven bukken, blijven bukken.

In de laatste drie maanden van je zwangerschap moet je je niet meer bukken.

Ik kan niet bukken.

De deur naar de kelder was zo laag dat hij zich moest bukken om naar binnen te gaan.

Soggybottom, kun je heel even bukken... ..zodat hij je rug kan gebruiken om te tekenen.

Bij Timmerfrans weet hij niet of hij moet knielen of bukken.

Bukken zijn we al lang gewend dus kom maar op met die raketten.

Die doodgeschoten Palestijnse journaliste vergat te bukken?

Hij kan zich nog niet eens bukken, dus je moet hem ergens in de buurt van de actie achter een boom verstoppen terwijl hij de drone bestuurt.

In beeld zie je vervolgens bedrijfseigenaar Theo S. nogmaals bukken en een steen oprapen.

Je bukken om de ander te laten opstaan.

Je krijgt pas je certificaat als je zover kunt bukken dat je je hoofd in het zand steekt Extra studiepunten zijn te verdienen door de bilspleet alvast in te boteren zodat je klaar bent voor de follow-up sessies.

Kop in het zand, voorover bukken, vingers in de oren en hard tralalala schreeuwen is niet cynisch?

Lekker zeepjes bukken in een cel zoals wij die hier in 1780 hadden.

Lokale overheden bukken maar al te bereidwillig - en als het ze straks door Den Haag wordt opgelegd, dan is het hek onomkeerbaar en voorgoed van de dam.

Maar je kan ook bukken, op je knieën zitten en gaan springen.

Niet bukken, zegt de dichter van Möppelt, en daar heeft ie groot gelijk in.

Nu is het bukken voor KOZP, volgend jaar kruipen voor KOZP en het jaar daarna moeten de voeten gekust worden van KOZP.