Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Faan.

Faan

Faan | Faa | Faas | Faang | Faanhof | Faant

Voorbeeldzinnen (12)

Elk jaar op de woensdag voor Pasen kunnen inwoners van Oldekerk, Niekerk en Faan daar haringen halen.

Het kerkje van Faan werd daarop te klein voor de diensten en werd alleen nog gebruikt voor bijzondere diensten.

Zijn geliefkoosde spelleke was te doen of hij een ‘iel laank klaan faan windeke’ liet en hij kon dat zo goed dat het precies echt was.

Fafiffen fijn moeilijk kijkende menfe die op faat faan fe feeuwen met fpandoeken en fjo.

Een kwestie van timing van degene die Faan daar op de grond naast de open haard betrapte, op heterdaad.

Overlijdensboek Niekerk, Oldekerk en Faan: Den 9 November is Martien Fops Bennema, huisvrouw van Arend Staal, Eigenerfde tot Oldkerk overleden.

Via Faan leert Albert een andere wereld kennen, in het weekend verblijven ze in Gauciel, waar moeder Netty samenwoont met de Engelse schilderes Marlow Moss.

Huis Bijma: Van Byler en De Mepsche Het werk van Byler: Helsche Boosheit of Grouwelyke Zonde van Sodomie uit 1730 waarmee het monsterproces van Faan begon In 1722 kwam dominee Henricus Carolinus van Byler naar de kerk van Niekerk.

In het 'monsterproces van Faan', waarin de beruchte Rudolf de Mepsche 22 mensen ter dood veroordeelde voor 'sodomie' (zie Faansche Gruwelen ), speelde de positie van de eigenerfden een belangrijke rol.

Kerkelijk vormde Niekerk een gemeente met Oldekerk en Faan, waar ook een kerkje stond.

Het woord faan komt van het Oudfriese 'fane', wat veen betekent.

Van het schap is weinig meer bekend dan dat het in het drie percelen van twee eigenaren uit Faan en Midwolde besloeg.