Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Gebeiteld.

Gebeiteld

Gebeiteld | Gebeitelde

Voorbeeldzinnen (20)

Talen zijn niet gebeiteld in steen. Talen leven door ons allemaal.

De toekomst is niet in steen gebeiteld.

Ach Sylvana zit na haar Kamerlidmaatschap vele jaren gebeiteld dankzij de wachtgeldregeling, die denkt; jullie maken mij de pis niet lauw.

Dan zit u gebeiteld bij Streamz.

De Kemphanen blijven gebeiteld op de zevende plaats, terwijl men bij STVV opnieuw in de achtervolging moet.

De lach is op zijn gezicht gebeiteld.

De opmars van extreemrechts in Europa is niet in steen gebeiteld.

De tekst ervan staat er in steen gebeiteld.

Het zinnetje staat voor altijd in het geheugen van Thomas Scholte gebeiteld.

Maar dit alles staat nog niet in steen gebeiteld.

Of op zijn minst niet in steen gebeiteld.

Sowieso zit je gebeiteld als fabriek wanneer het publiek de auto kent onder een koosnaampje.

Van die mensen die weten dat ze gebeiteld zitten, aan alle kanten, dat hen nooit iets overkomt - je voelt dat als je met ze omgaat, een totaal gebrek aan nieuwsgierigheid naar wat er om hen heen gebeurt.

Waar nationale wetten voortdurend worden aangepast aan gewijzigde omstandigheden en inzichten zijn verdragen in steen gebeiteld.

Z’n naam staat gebeiteld.

Wel geeft het aan dat dat niet in steen gebeiteld is: het kan in de toekomst dus nog wel veranderen.

We zitten weer voor járen gebeiteld met al die ambtelijke ongein.

Zet ze eens naast elkaar: Benschop, Van Nieuwenhuizen, Van der Burg, allemaal dezelfde volgevreten bolkoppen met zo'n zelfgenoegzame lach erop gebeiteld.

De stenen hebben een afmeting van 10x10x10 centimeter en zijn bedekt met een bronskleurig metalen plaatje waarop naam en geboortedatum van het slachtoffer gebeiteld zijn evenals datum en plaats van deportatie en overlijden.

Deze aanstootgevende werkelijkheid vinden we gebeiteld in de parabel van de barmhartige vader en van de herder die op zoek gaat naar het verloren schaap (cf. Lc 15).