Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Gehuwd.

Gehuwd

Gehuwd | Gehuwde | Gehuwden

Gehuwd betekenis

getrouwd

Voorbeeldzinnen (20)

De mondige kinderen zijn Huibrecht, Neeltgen (gehuwd met Lenert JACOBSZ), Cornelis, Lijsbeth (gehuwd met Willem CORNELISZ), Annitgen (gehuwd met Jan JANSZ), Dirck en de jonge Neeltgen.

Ze was op jonge leeftijd kort gehuwd gehuwd met toneelacteur Henri Eerens.

Gehuwd te Kleve, Rindern, gehuwd voor de kerk te Kleve.

Gehuwd te Oud-Zevenaar, gehuwd voor de kerk te Oud-Zevenaar, St.Martinuskerk met Franciscus Johannes Maria (Frans) WITJES, geboren te Oud-Zevenaar.

Stamboom van Addinga *Egge (I) (geb. ca. 1365?, vermoord 1391), gehuwd met Focke Kekesma (eerder gehuwd met Margaretha Ripperda, de zus van Unico Ripperda tot Farmsum; kinderen: Adde, Haye (I) en Boele.

Voor zover ik weet is zij nog altijd niet gehuwd.

Ik ben gehuwd en heb twee zonen.

Ik ben gehuwd.

Bent u nog altijd gehuwd?

Ben je nog altijd gehuwd?

De vorige maand is ze met Tom gehuwd.

Je weet dat ik gehuwd ben.

U weet dat ik gehuwd ben.

Toen was ik gehuwd.

Ze zijn jong gehuwd.

Ik ben gehuwd en ik heb drie kinderen.

Ze was gehuwd.

Tom is rijk en nog niet gehuwd.

Denkt u dat Tom weet dat Maria gehuwd is?

We zijn slechts een dag gehuwd.