Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Glijder.

Glijder

Glijder | Glijden | Glijd | Glijders

Glijder betekenis

iets of iemand die zich glijdend voortbeweegt

Voorbeeldzinnen (8)

Een klinker of glijder (l, m, n, r, j of w) maakt als gevolg van progressieve assimilatie een erop volgende f, s of ch stemhebbend, dus maakt er respectievelijk een v, z of (Brugse) g van.

Zo blijft de raambekleding op zijn plek aan de zijkant, want als men deze haak plaatst in een runner (of glijder) kan het storend zijn dat men de raambekleding steeds op zijn plek moet trekken.

Ik ben van nature een glijder.

Slijmbal 3.0 en Glijder bij iedereen die maar de richting van jouw bekrompen mening opgaat.

De onderste glijder moet bijvoorbeeld andersom worden gemonteerd: niet kop-staart met de bovenste, maar staart-staart.

Je kunt de twee rijen normaal gesproken (brute kracht of slijtage daargelaten) alleen in en uit elkaar dwingen met een ‘glijder’ die aan de binnenkant een Y-vormige holte heeft.

Studenten van een Franse technische school maakten van de traditionele monoslee uit de Alpen - een houten stoeltje op één glijder met een steel om aan vast te houden - een hightechkuipstoeltje van staal en versterkt koolstof.

Hun vader schoot als klein kind zijn voetbal in een kersenboom; zijn zus klom erin om de bal eruit te halen, maakte een rare glijder, en landde op haar nek.