Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Guit.

Guit

Guit betekenis

grappig iemand (vooral van het mannelijk geslacht)

Voorbeeldzinnen (8)

Leo Guit was een zoon van de schoenmaker en ambtenaar Philippus Guit en Elisabeth Johanna Jansen.

En om dan meteen ook Arnold Karskens en Joost Niemöller af te doen met “guit by association”, zonder dat er überhaupt sprake is van schuld - want wat doet ze nou verkeerd?

Onze guit is zeker een flapuit, beter gaat hij niet vrij filosoferen.

De wandelaar benoemt hem vervolgens als een domme uitslover en een slimme guit.

Guit laat weten „in overleg te treden met failliet en in de komende dagen de boedel te gaan inventariseren”.

Zo sprak de kleine stoute guit.

In 1989 nog een werkloze voetbalvader guit een van de vele Amerikaanse buitenwijken, bedolven onder een zware schuldenlast, wist hij zich gestaag op te werken.

Guit trouwde in 1909 met Cornelia Maria van den Berg, met wie hij twee dochters en drie zoons kreeg.