Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Haatten.
Voorbeeldzinnen (20)
Alle drie haatten ze elkaar.
Ze haatten haar.
Zij haatten Tom.
Ze haatten elkaar.
De drie haatten elkaar.
We haatten allemaal Tom.
Ze haatten jullie.
Mijn moeder en ik haatten allebei onze buurman.
Mijn moeder en ik haatten allebei onze buurvrouw.
Ze zeiden dat ze me haatten.
Wij haatten Tom.
De kinderen haatten hun stiefmoeder als de poorten van de hel.
Hij had nul vrienden en alleen moeke maar die was dement, Zijn collega's haatten hem en dus mijn collega heeft de begrafenis geregeld.
Zijn slachtoffers waren ‘domme, verwaande ambtenaren’ die het volk haatten.
Dat vrienden me haatten, maar jij hield van mij.
Het hele verhaal van dat ze elkaar kenden en elkaar haatten is niet meer ter sprake gekomen.
Weet u wie ze ook haatten?
We schreven er begin dit jaar al over, maar dit seizoen breekt ie pas volledig door: de balaclava of de bivakmuts, de muts die we als kind zo haatten.
Ze denken dan al dat het komt doordat ze gediscrimineerd worden en ze haatten de Nederlandse maatschappij.
Beide haatten echter de mate waarin het geweld en de duister ondertoon uit de strips werden weggelaten uit de serie.
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl