Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Heidensche.

Heidensche

Voorbeeldzinnen (6)

Prins Friso stelde te Staveren eene vereeniging in van heidensche priesters, druïden genaamd, die de godsdienstplechtigheden waarnamen en tevens belast waren met het geven van onderwijs aan de kinderen der aanzienlijken.

Speelen wij Heidensche fabelen en kloecke verzieringen men beschuldight ons van ydelheit en lichtvaerdigheit; Brengt men zinnespeelen te voorschijn, om goede zeden te planten, dat waenen zommigen hun alleen aenbesteet te zijn'.

In de Betouw noemde deze twee bouwwerken ‘heidensche capellen’ en viel terug op het verhaal dat ze in 799 gekerstend waren.

Omdat de term joos – naast de benaming voor een Chinese godheid -, ook al lange tijd gebruikt werd voor andere ‘heidensche godheden of afgodsbeelden’, aldus het Woordenboek der Nederlandsche Taal, kreeg joos de betekenis van ‘duivel’.

Klaagt, dat de visitatie in de laatste jaren niet zoo veelmalen en zoo wel gedaan werd als behoorde, wat oorzaak was van het gansche verval van verscheidene scholen, die de heidensche leeraars en paapsche emissarissen ten prooi worden.

Tegenover de Joodsche natie heeten de Christenen dus de Heidensche natie. 4. beschaemt: teleurgesteld.