Voorbeeldzinnen (20)
Ze zaten achter de kassa bij de supermarkt, hielpen kleding verkopen, pakten broodjes in, werken mee in de keuken van het restaurant en droegen zorg voor de bediening, tapten biertjes in het café en hielpen de politie een handjes.
Ze hielpen hem naar Canada te komen.
Ze hielpen Tom door de problemen heen.
Ze hielpen elkaar.
Oorlogsschepen van de Verenigde Staten hielpen de slachtoffers van de tsunami in de buurt van de kust.
De man en zijn vrouw hielpen elkaar.
We hielpen Tom.
Ze hielpen mij.
Zij hielpen Tom.
Jullie hielpen mij.
Jullie hielpen ons.
Zij hielpen ons.
Wij hielpen hem.
Wij hielpen haar.
Zij hielpen hem.
Zij hielpen haar.
De medicijnen hielpen mij.
We hielpen allemaal bij de oogst.
Jullie hielpen mij niet.
Tom en Mary hielpen hun moeder met het versieren van de kerstboom.
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl