Bekijk voorbeeldzinnen, synoniemen en woordvormen van Huisbewoner.
Huisbewoner betekenis
persoon die niet in een woonwagen woont maar in een huis | persoon die in een bepaalde woning woont
Voorbeeldzinnen (5)
Van deze huishoudens was 23% ook de enige huisbewoner, dat is minder dan het gemiddelde van de regio (27%) en 31% was een getrouwd stel met kinderen, wat meer is dan het gemiddelde van de regio (26%).
En werd ik een huisbewoner.
De man werd staande gehouden door de huisbewoner en de buren, in afwachting van de politie.
De politie mag pas in het geheim een microfoontje onder de tafel plakken als de huisbewoner wordt verdacht van een ernstig misdrijf, eentje waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer staat.
Tijdens de voorstelling worden kinderen uit het publiek uitgenodigd om huisbewoner te zijn, in het huis rond te lopen, en zo hun eigen compositie tot stand te brengen.
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl