Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Jachtrecht.

Jachtrecht

Voorbeeldzinnen (20)

Elke houder van het jachtrecht die op welke wijze ook van zijn recht gebruikmaakt, is verplicht een door hem opgemaakt plan van zijn jachtterrein met aanduiding van de percelen waarbinnen hij geen jachtrecht heeft, in te dienen.

In Pelt hebben twee jagers een jachtrecht gekregen om het aantal everzwijnen in het Hageven terug te dringen.

Als gevolg daarvan viel het jachtrecht toe aan de eigenaren van gronden die vroeger tot de heerlijkheid behoord hadden.

Bots had het jachtrecht in 1847 laten registreren, maar had er geen gebruik van gemaakt, evenmin als zijn erven.

Daarom daagde hij in 1897 burgemeester Johannes van den Heuvel voor de rechter en eiste het jachtrecht op.

In het feodale tijdperk was het jachtrecht een heerlijk recht.

Naar aanleiding van dit onderzoek concludeerde de 'Staatscommissie inzake het jachtrecht' dat de zwanendrift als houderij van tamme zwanen niet in de jachtwet thuishoorde maar in het Burgerlijk Wetboek.

Snijders wilde wel van het jachtrecht gebruik maken, maar ontdekte dat de gemeente de rechten op gemeentelijke grond reeds verpacht had.

Volgens de rechtbank was niet bewezen dat het heerlijk jachtrecht was uitgeoefend in de periode van 1794 tot 1847.

Vanaf 1908 is Frederiks bovendien secretaris van de Staatscommissie inzake het jachtrecht.

Deze vereniging beheert het jachtrecht.

Het jachtrecht is verhuurd.

De houder van het jachtrecht en de jachtterreinen Het is verboden te eniger tijd en op enigerlei wijze te jagen op andermans grond zonder uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende.

De molenijzers zijn ontleend aan het wapen van Dirk de Rover, die op 22 maart 1357(of 58) beleend werd met enkele goederen onder Haaren en tevens het jachtrecht verkreeg rond Haaren, Esch en Helvoirt.

Hij schreef onder meer De waranda van Tilburg verdedigd, een bijdrage tot het jachtrecht.

In 1923 verdween ook het jachtrecht.

In het begin van onze jaartelling had de eigenaar van de grond het jachtrecht.

Sint-Willibrordusparochie, Vlierden/Heemkundekring H.N. Ouwerling, Deurne : In 1923 werd het heerlijke jachtrecht door de Jachtwet afgeschaft en hield het fenomeen heerlijkheid op te bestaan.

Deze gehate instantie werd na de omwenteling van 1795, toen het jachtrecht werd vrijgegeven, als eerste afgeschaft.

Einde zeventiende eeuw bleek dat het jachtrecht zich niet meer beperkte tot de adel.