Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Jammerde.

Jammerde

Voorbeeldzinnen (16)

Ze jammerde uitentreuren tot ik er bijna ziek van werd.

Niemand die jammerde dat de energievoorziening een nationale bevoegdheid is, wat jarenlang het argument was om een echt Europese energiemarkt te frustreren.

Dat verhaal over zijn voorganger, die ook al jammerde en smeekte om genade, was me intussen ontschoten.

Plasschaert jammerde over allerlei kwaaltjes.

In de troonrede gaf koning Pils al hoog op van de multilaterale Wereldorde die niet in gevaar mocht komen en jammerde tegen het nationalisme (lees soevereiniteit en baas in eigen land).

Dat dacht ook aanvoerder Faris Haroun: “Het was gewoonweg veel te weinig”, jammerde de captain.

Hij jammerde dat hij ‘net als elke Amerikaan’ het recht heeft zijn beschuldiger te ontmoeten, ‘zeker omdat die beschuldiger, de zogenaamde klokkenluider, een perfect gesprek in een totaal onnauwkeurig en bedrieglijke manier heeft naverteld’.

Erik van Muiswinkel, de naargeestige en mislukte cabaretier die jammerde dat Van Kooten en De Bie maar plaats voor hem moesten maken.

Geen enkele democraat heeft ons gesteund, jammerde Trump, maar dat was niet zo onlogisch na de voorgeschiedenis.

Hij jammerde over pijn aan de knie en treurde om het verlies van zijn kopman en snelle man Nacer Bouhanni.

Jammerde de zaal vol sociaaldemocraten.

Voortaan dwaalde hij blind door het bos, leefde van wortels en bessen en jammerde en huilde de hele dag om het verlies van zijn allerliefste vrouw.

Meijers zocht Young in 1973 op in een Londense kleedkamer, gaf hem twee flessen tequila en jammerde vervolgens als een bijbelse klaagvrouw de Oor-kolommen vol.

De laatste keer was er één te veel”, jammerde Van der Hoorn, die gehoopt had de BinckBank Tour met een plek bij de eerste vijf te kunnen afsluiten.

Hij jammerde hoe hard de politiek was.

Kom in me”, jammerde ze net voor ik haar bedelde hebben om haar in hemelsnaam te mogen neuken.