Voorbeeldzinnen (20)
Ze juichten allemaal.
We juichten allemaal.
De fans juichten.
Ze juichten en klapten.
Alle studenten juichten.
Daarna renden ze naar de Britse fans die juichten omdat hun club de finale had gehaald.
De verzamelde fans juichten hem wel luid toe.
In plaats van hem te straffen, juichten zijn leraren de ontsnapping van Kamagurka toe en gaven hem de ruimte om de tekening te maken en deze de volgende dag langs te brengen.
Ja, het is van het kaliber gedachtenpolitie, maar dit mogen ze ook doen bij alle honderdduizenden joden doen die juichten bij doden in een Gaza ziekenhuis.
Met 50 waren ze, zelfs de lokale Schotse jongens hebben niet zo’n ruime en trouwe aanhang” - lieten het niet aan hun hart komen, juichten dwars door ‘Il Canto degli Italiani’ heen.
Ook dansten ze, juichten ze en maakten ze muziek.
Sommige juichten, anderen begonnen juist te joelen.
Vroeger juichten directies van rusthuizen toen we aanboden om gezelschapsspelletjes te komen spelen met de bewoners, vandaag weigeren ze omdat ze bang zijn voor de reacties in de media.
Dat kon wel en Rutte was een van de mensen die juichten.
Duizenden en duizenden Marokkanen juichten voor hun helden.
In 1938 juichten ze toen Hitler hun land annexeerde.
In ‘Not’ kreeg Lenker ongewild de lachers op haar hand toen ze plots haar tekst vergat, maar de fans juichten haar dolenthousiast toe toen ze die weer te pakken kreeg.
Maar enkele parlementsleden juichten het besluit de film toch in de ban te doen, toe.
Mensen vielen elkaar in de armen, huilden, juichten, en het dorp werd het toneel van toeterende auto’s met de „VER”-vlaggen van Max, en er werd vuurwerk afgestoken.
Tienduizenden fans juichten en zongen voor het kampioensteam.
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl