Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Kleingoed.

Kleingoed

Kleingoed betekenis

kleine items, spulletjes, of zaken

Voorbeeldzinnen (4)

Zeventien jaar later, in 1903, ontbood Schrauwen de marktkoopman Jan Couvreur om wat kleingoed, zoals een kannetje, een potje en een tinnen litermaat te verkopen.

De schat bestaat uit meerdere bronzen voorwerpen, een stenen en een bronzen bijl, een dolk, een soort hellebaard, een paar klinknagels, een graveerstift, een paar armbanden en een nog wat kleingoed.

Op een mis, een strijkkwartet, het en nog wat kleingoed na liet hij alleen muziektheaterwerken na.

In 1782 nam hij dit thema op en kocht hij het kleingoed Kaulsdorf ten zuidoosten van Berlijn.