Ontdek Kleingoed via 4 voorbeeldzinnen uit het Nederlands, met uitleg van de betekenis. Ideaal voor taalgebruikers, schrijvers en taalliefhebbers.
Kleingoed in een zin
Kleingoed betekenis
kleine items, spulletjes, of zaken
Gebruik van Kleingoed
- De belangrijkste betekenis op deze pagina is: kleine items, spulletjes, of zaken
- In het voorbeeldencorpus komt kleingoed vaak voor in combinaties zoals: wat kleingoed.
Context rond Kleingoed
- Gemiddelde zinslengte in deze voorbeelden: 22.3 woorden
- Plaats in de zin: 0 begin, 3 midden, 1 einde
- Zinsoorten: 4 stellend, 0 vragen, 0 uitroepen
Corpusanalyse van Kleingoed
- In deze selectie staat "kleingoed" meestal in het midden van de zin. De gemiddelde voorbeeldzin telt 22.3 woorden en het corpus bestaat hier vooral uit stellende zinnen.
- Direct rond het woord vallen vooral kaulsdorf op; die woorden geven extra context aan het gebruik van "kleingoed".
- Herkenbare gebruikssignalen zijn hij het kleingoed kaulsdorf ten en nog wat kleingoed. Daardoor krijgt deze pagina eigen corpusinformatie en niet alleen losse voorbeeldzinnen.
- Qua corpusfrequentie ligt "kleingoed" dicht bij woorden als aaaaah, aach en aaiden, wat helpt om het woord binnen de bredere woordenindex te plaatsen.
Voorbeeldtypes met kleingoed
Dezelfde corpuszinnen zijn hieronder uitgesplitst naar lengte en zinsoort, zodat je sneller ziet in welke soort context het woord voorkomt:
Op een mis, een strijkkwartet, het en nog wat kleingoed na liet hij alleen muziektheaterwerken na. (16 woorden)
In 1782 nam hij dit thema op en kocht hij het kleingoed Kaulsdorf ten zuidoosten van Berlijn. (17 woorden)
Zeventien jaar later, in 1903, ontbood Schrauwen de marktkoopman Jan Couvreur om wat kleingoed, zoals een kannetje, een potje en een tinnen litermaat te verkopen. (25 woorden)
De schat bestaat uit meerdere bronzen voorwerpen, een stenen en een bronzen bijl, een dolk, een soort hellebaard, een paar klinknagels, een graveerstift, een paar armbanden en een nog wat kleingoed. (31 woorden)
Zeventien jaar later, in 1903, ontbood Schrauwen de marktkoopman Jan Couvreur om wat kleingoed, zoals een kannetje, een potje en een tinnen litermaat te verkopen. (25 woorden)
In 1782 nam hij dit thema op en kocht hij het kleingoed Kaulsdorf ten zuidoosten van Berlijn. (17 woorden)
Voorbeeldzinnen (4)
Zeventien jaar later, in 1903, ontbood Schrauwen de marktkoopman Jan Couvreur om wat kleingoed, zoals een kannetje, een potje en een tinnen litermaat te verkopen.
De schat bestaat uit meerdere bronzen voorwerpen, een stenen en een bronzen bijl, een dolk, een soort hellebaard, een paar klinknagels, een graveerstift, een paar armbanden en een nog wat kleingoed.
Op een mis, een strijkkwartet, het en nog wat kleingoed na liet hij alleen muziektheaterwerken na.
In 1782 nam hij dit thema op en kocht hij het kleingoed Kaulsdorf ten zuidoosten van Berlijn.
Veelvoorkomende combinaties met kleingoed
Deze woordparen komen het vaakst voor in Nederlandse teksten:
Veelgestelde vragen
Hoe gebruik je "kleingoed" in een zin?
Wat betekent "kleingoed"?
Hoeveel voorbeeldzinnen met "kleingoed" zijn er?
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl