Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Lachje.

Lachje

Lachje | Lachen | Lach | Lachers | Lachjes | Lacher | Lachs

Voorbeeldzinnen (20)

Dat lachje op die foto, dat is het lachje van de persoon die zich niet afvraagt of hij gelijk heeft, maar van iemand die zich afvraagt hoe hij gelijk kan krijgen, dat is de grijns van het deugende kuddedier, de grijns van de moraliserende meeloper.

Dat lachje is het lachje van een man die weet dat hij heel veel geld gaat verdienen aan de goedgelovige sukkels om hem heen.

Met een schamper lachje keek Tom Maria aan.

Ze was gisteren erg chagrijnig en er kon geen lachje af.

En ik kan beter een koket lachje van je horen, missy.

Kan er geen lachje af?

Vlak het nerveuze lachje niet uit.

Aan haar tong zal het zeker niet liggen (lachje).

Dat geforceerde lachje want hij heeft de macht en de rest luistert maar.

En dat zegt Rutte met een spiritueel lachje.

Er kan geen lachje van af.

Er komt zo wie zo bijna niets zinnigs uit als behalve dat infantiele nep lachje van hem!

Geen trash talk of agressief gedoe bij 'Q Bomb', wel een lachje en een handdruk.

Haar blik niet naar de kijker, maar naar beneden gericht, vaag lachje om haar mond.

Hij geeft een amicale klap op de schouder, perst er een lachje uit.

Ik doe een verboden lachje met u mee.

Ja, moet altijd lachen om die ouwe gek (die allang dood is) maar irriteer me aan dat lachje van die kale.

Kreeg per avond meer een hekel aan dat nagemaakte vrouwtje met haar maniertjes en nagemaakte lachje.

Met zijn morele oordelen, valse lachje naar de meisjes die op hem gestemd hebben.

Ongelooflijk wat zo’n lulletje rozenwater voor elkaar krijgt bij de pubertjes met z’n geiten lachje en petje achterstevoren.