Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Lachten.
Voorbeeldzinnen (20)
Nou en toen lachten de mensen en bleken we in een weinstube te zijn en toen lachten wij ook en zeiden van oja natuurlijk en nam hij gewoon een wijntje ipv een biertje en het lachen was goedig van aard.
De twee vrouwen lachten naar elkaar.
Toen het meisje de kamer binnen kwam, lachten enkele jongens haar uit om haar klein hoedje.
Zij lachten over zijn fout.
Toen we met haar lachten, bloosde ze.
Alle andere jongens lachten hem uit.
Ze lachten allebei.
Tom en Maria bekeken elkaar en lachten.
Ze lachten mij uit.
Al Toms vrienden lachten Maria uit.
Alle studenten lachten.
Alle drie de jongens lachten.
De drie mannen lachten.
Tom en ik lachten.
Ze keken elkaar aan en lachten.
Zij lachten over hun fout.
De leerlingen lachten.
De studenten lachten.
Beide meisjes lachten.
Ze lachten haar uit.
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl