Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Leefkamer.

Leefkamer

Leefkamer | Leefkamers

Leefkamer betekenis

een kamer die primair is ingericht om in te wonen en bezoek te ontvangen

Voorbeeldzinnen (6)

Één voor één komen ze de leefkamer binnen, met fris gewassen haren, een knuffel onder de ene arm, een dekentje onder de andere.

In Turnhout nemen zes handelszaken deel aan de campagne: Koffiebar Breek, restaurant Eeden, bioshop Biodynamika, Oxfam Wereldwinkel Turnhout, lunchbar De Leefkamer en Winkel ’t Seizoen.

Het gebeurde in een leefkamer waar ook een keukentje is.

Dat van Esther toont de achtergevel van de Schapenstraat aan de tuinkant en de leefkamer met de vele eetborden op een lange tafel voor het kinderrijke gezin.

De vijf resterende bewoners in het ‘Big Brother’-huis konden de gebeurtenissen gisteren in uitgesteld relais volgen op het scherm in hun leefkamer.

Er was een keukenblok met een barretje, het gaf langs twee zijden uit op de leefkamer.