Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Leengoed.

Leengoed

Leengoed | Leengoederen

Leengoed betekenis

zaken die men te leen heeft en die men dus goed moet beheren en bewaren voor het nageslacht | in een feodaal stelsel een gebied dat door een heerser te leen wordt gegeven aan een vazal

Voorbeeldzinnen (20)

Leo van Leengoed (65) Oud Gastel Officier in de Orde van Oranje-Nassau De hoogste onderscheiding in deze regio viel ten deel aan Gastelaar Leo van Leengoed.

Later was onduidelijk of dit goed een rechtstreeks leengoed was van de hertog, of – net als deel A – een leengoed van de Poederveldse Hoeve en dus een achterleen van de hertog.

Dat is de tijd waarin je marge opbouwt”, zegt Van Leengoed.

Bij een leengoed verwerft men slechts het vruchtgebruik over het betrokken goed en blijft, in hedendaags Nederlands, het naakte eigendom steeds bij de leenheer.

Bretagne kwam toen als koninklijk leengoed onder de rechtstreekse controle van de Franse Kroon.

Dit herenhuis is gebouwd in 1761 op de plaats van het leengoed De Strijdhoeven, waar zich vier en later twee versterkte hoeven bevonden.

Dit leengoed werd omstreeks 1364 verdeeld.

Een aantal (pleeg)zoons van Andriantsimi toviamini andriana kregen het beheer over een leengoed van het koninkrijk.

Een leengoed is overigens niet (altijd) ontheven van de omringende jurisdictie.

Elsbroek was oorspronkelijk een leengoed van de Heer van Boxtel.

En boerderij ‘t Brake was in de late middeleeuwen een Gelders leengoed met versterkt huis.

Hendrik vond dat Maine een leengoed van Normandië was maar Fulco huldigde Lodewijk als zijn leenheer voor Maine.

Het leengoed Mulken hing af van de Luikse kerk en werd reeds in de 12e eeuw bewoond door de ridders van Mulken.

Het leengoed was weer verdeeld in de Grote Strijdhoeve, bestaande uit des Heerdenshoeve en des Riddershoeve; en de Kleine Strijdhoeve', bestaande uit de Scerpenbroecshoeve en de Loyaertshoeve.

Het leengoed zou nadien nooit meer verkocht worden en zou nu, van generatie op generatie, overgaan door overerving.

Het slot heeft als leengoed gediend aan vele families, waaronder de families Heustadel, Katzböck, Planta, Eyrl Rottenpuecher en Wittenbach.

In 1289 was het een leengoed in het bezit van Benesch / Beneš van Branitz en Lobenstein, een telg uit de adellijke familie Beneschau.

In 1609 kochten de Wilhelmieten ook het naastgelegen leengoed Coll.

In oude cijnsboeken van de Raad- en Leenhof te Brussel werd al melding gemaakt van "De hoeve van Gorop" groot 111 bunders en als leengoed uitgegeven door de hertogen van Brabant.

Johann von Benssenraide beleend met het oorspronkelijke leengoed met motteburcht of kasteelhoeve Den Struyver zu Geisbach.