Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Lijkbleek.

Lijkbleek

Lijkbleek betekenis

heel erg bleek, vaak doordat iemand heel erg geschrokken is

Voorbeeldzinnen (20)

Ze was lijkbleek.

Maria was lijkbleek.

Haar gelaat was lijkbleek.

Je bent lijkbleek.

De ene ziet lijkbleek want moet wel totaal vegan zijn, en die andere ziet eruit als een etalagepop met teveel botox.

Ik heb foto’s van mezelf uit die tijd teruggezien: lijkbleek, sterk vermagerd.

De papegaai van buurvrouw Tiny Jans heeft een krant over haar koppie getrokken, de ruziënde mussen vallen stil, de pimpelmezen hebben zich lijkbleek geschrokken teruggetrokken in het huisje.

Heb een kwartier lijkbleek buiten gelegen na 3 rondjes ” Zandvoort”.

Totdat je merkt dat het gras bij de verre overburen eigenlijk totaal niet groener maar juist lijkbleek lijkt te zijn.

Volledig versuft en lijkbleek kwam ze terug op de kamer.

Je zag lijkbleek en we zijn daarna nooit meer samen iets gaan doen.

Nu lange jurk, lijkbleek gezicht, baard laten staan en wanneer je vraagt: "Hoe gaat het met je?" begint hij meteen over homo's te fulmineren.

Roofmoord op gevangenisverpleegster: lijkbleek zit ze in de auto, met haar lippen vormt ze 'help'.

Tijdens een van haar controles merkte ze dat hij met zijn gezicht in de matras lag, lijkbleek zag en niet meer ademde.

Volgens mij ziet John Grant, die zwart was, inmiddels wel lijkbleek.

Ze lagen op bed, maar zagen letterlijk lijkbleek.

De modewereld hield van haar uitgemergelde lijf en lijkbleek gezicht met donkere wallen onder haar bloeddoorlopen ogen.

Die Corine Winnik ziet lijkbleek en heeft nog nooit een kapsalon van binnen gezien.

Hij is lijkbleek, heeft pijn en op zijn operatiehemd zit bloed.

Lijkbleek met een likje regenboog.