Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Logeer.

Logeer

Voorbeeldzinnen (20)

In de zomerperiode logeer ik bij mijn tante.

Ik logeer liever in een hotel.

Tom verblijft in hetzelfde hotel als waar ik logeer.

Ik logeer bij mijn oom.

In het weekend logeer ik bij mijn ouders.

Ja, ik logeer een paar weken bij m'n oom.

Er is een koffiehuis waar ik logeer.

Dan logeer je de nacht vooraf in de buurt, krijg je gratis parking en laat je je door een taxi of de shuttle naar de vertrekhal brengen.

Gaat je ega maar op de logeer.

Ook in Zeeuws-Vlaanderen sluimert de revolutie als tractoren van boze boeren in optocht langs het dijkhuisje in Scherpbier rijden, waar ik logeer.

Ik, vrouw van 50, logeer een paar dagen bij mijn ouders in Drenthe.

In Knokke logeer je in een B&B, in Houffalize overnacht je op een basic, maar idyllische bivakplek.

Ik logeer in vakantie-huizen in Suriname.

Logeer eens op een boerderij!

Op één van de gronden een logeer gebouw neerzetten.

In Roemenië logeer ik bij Jan van Diermen, wiens vrouw daar een ecologische tuinderij runt.

Nanker, as we speak logeer ik bij een die hard msm volger.

Als ik nu bij m’n vader logeer, vind ik het fijn.

Logeer jij binnenkort in een K3-huis?

Het gepensioneerde Russische bouwvakkersechtpaar bij wie ik logeer, krijgt zo’n tien dollar pensioen.