Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Luidop.

Luidop

Luidop betekenis

luidkeels, hardop

Voorbeeldzinnen (20)

Terwijl hij de bus verliet, nam hij luidop afscheid van mij.

Perry was het luidop denken gewoon geraakt.

Deze jonge mensen praten luidop en houden absoluut geen rekening met de mensen om hen heen.

Beschonken Britse motards twijfelen luidop of het iets voor hen is.

Daarbij geeft Luther een kort gebed om luidop of in het hart tot God te richten.

Dan ga je toch niet de persoon zijn met wie je laatst gezien bent als je die van plan bent te vermoorden?”, vroeg Vincke zich luidop af.

Dat Jenssen zijn uitspraak snel nuanceerde en benadrukte dat hij enkel luidop nadacht en maar één mogelijke oplossing voorstelde, bracht weinig zoden aan de dijk.

De families van gesneuvelden of actieve frontstrijders beginnen zich luidop af te vragen waarom hun zonen zo lang in de loopgraven zitten, en anderen niet.

De laatste keer zei ik het zelfs luidop, het ding moet me gehoord hebben.

De onbegrijpelijke beslissingen doen ons de vraag luidop stellen.

Die vragen stel ik ook luidop, hoor.

Dit zijn toch geen sociale tarieven meer?”, vraagt het gemeenteraadslid van Vooruit zich luidop af.

En dus mag er al luidop gedroomd worden van de achtste finales.

Gunter Lamoot zet koffie en vraagt zich luidop af of het terecht is dat er een journalist aan zijn keukentafel zit.

Hebben zij beter gezien wat er aan de hand was?”, vraagt de Elvis-fan zich luidop af.

Het is mijn taak om luidop de vraag te stellen wie er baat bij heeft dat je job niet als werken aanvoelt en arbeid onzichtbaar wordt gemaakt.

Ik durf nooit luidop te zeggen dat ik gelukkig ben, want voor ik het weet krijg ik opnieuw een mokerslag.

Maarten De Veuster, wiens naam tot zijn eigen aangename verrassing zelfs spontaan en luidop gescandeerd werd door een groep jonge dorpsgenoten.

Als je even luidop mag dromen, waar sta je dan over vijf jaar?

Anderlecht-kapitein Hendrik Van Crombrugge vroeg het zich luidop af.