Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Marika.

Marika

Marika | Marikana

Marika betekenis

deze, hij, zij (derde persoon, met nadruk)

Voorbeeldzinnen (20)

Marika is Finse, maar ze spreekt Duits zoals de Duitsers.

Waar woont Marika nu?

Waarom denk ik nog altijd aan Marika?

Marika ontdekte met mij een nieuwe wereld, een nieuwe cultuur.

Marika hield heel veel van de sneeuw.

Heeft Marika de Koran gelezen?

Ik kan Marika niet bellen. Ze woont in Finland!

Niemand zal me kunnen stoppen om over Marika te praten.

Ik zal me door niemand laten weerhouden om over Marika te spreken.

Waar werkt Marika nu?

Marika heeft me wat Fins geleerd.

Ik zal het niet meer over Marika hebben tegen jou. Dat beloof ik je.

Bij Marika is nu zelfs Tom de zwarte piet.

Leen en Marika Pul gooiden het roer om en begonnen een B&B in het Drentse Wijster.

Marika: "Het gaat met die treintjes wel voortdurend op en neer.

Marika: "Ik werk ook minder, hou alleen nog een paar vaste klanten aan.

Marika Drogla een Pools-sprekende vverslavingstherapeut vertelt dat Polen in Nederland niet gelukkig zijn.

Marika N.J.A. van der Knaap (1998) Willy Mignot : Een vergeten beeldhouwer.

Dat toestel van avianca dat die puta marika van een broer opgeblazen heeft?

Marika de Bruijn, moeder van de zestienjarige Max Imandt, kan het niet over haar hart verkrijgen om de vlag te strijken of halfstok te hangen.