Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Nekschild.
Voorbeeldzinnen (20)
De geslachtsnaam betekent "doorboorde sauriër ", een verwijzing naar de gaten in het nekschild, afwijkend van het gesloten nekschild van de eerder door Marsh beschreven Triceratops.
ROM 802 toont de vorm van het nekschild Het nekschild ligt min of meer in het verlengde van de voorkant van de schedel, zonder er een forse hoek mee te maken.
Dit is wat ironisch omdat een tijdlang de ceratopiden werden onderverdeeld in chasmosaurinen met een lang nekschild en ceratopinen met een kort nekschild.
Aan beide zijden van het nekschild bevindt zich een parietaalvenster.
Achteraan de schedel stak een lang nekschild uit waarvan de zijranden bezet waren met kleine driehoekige stekels.
Bij andere ceratopiden zijn de eerste epiparietalia, indien aanwezig, meer naar voren gericht en overspannen vaak de pariëtaalvensters, de openingen in het nekschild.
Daarvan is de botrand opgezwollen en ruw, een teken dat het om geïnfecteerde verwondingen kan gaan, opgelopen door gevechten met andere ceratopiden die het nekschild met hun wenkbrauwhoorns doorstaken.
Dat gold ook als het nekschild buiten beschouwing werd gelaten.
De achterste balk van het nekschild is afgeplat en plaatvormig en dus niet balkvormig.
De beide takken van de achterrand van het nekschild ontmoeten elkaar in een hoek van minder dan 90°.
De bovenkant van het nekschild ontbrak maar werd aan de hand van eerdere specimina met gips weer opgebouwd.
De breedte van het nekschild is 105 centimeter.
De dwarstakken zijn in bovenaanzicht sterk gewelfd, zodat hun lijn naar achteren bolt, het nekschild een achterprofiel van een M krijgt en de wandbeenderen veel verder naar achteren reiken dan de squamosa.
De middenbalk van het nekschild waaiert van het midden af naar achteren toe uit en is achteraan niet in het midden ingekeept.
De vermoedelijk fout als schildresten geïnterpreteerde platen, zag hij als aanwijzingen voor een matig lang en vrij nauw nekschild met een vrij gladde zijkant en een naar boven vernauwende interparietale beenbalk.
De wandbeenderen groeien naar achteren, zijwaarts, en schuin omhoog uit, de kern vormend van het nekschild.
Direct bewijs is daarvoor gevonden bij exemplaren van Triceratops in de vorm van geheelde littekens op het jukbeen en het voorste nekschild die lijken op steekwonden die toegebracht zijn door wenkbrauwhoorns.
Dit kan, mits we aannemen dat Torosaurus en Triceratops aparte geslachten waren, zowel het extreem grote nekschild van de eerste als de afwijkend korte schedelkraag van de laatste verklaren: beide vormen groeiden uiteen om een duidelijk verschil te maken.
Dodson wees er echter op dat langere spieren niet krachtiger zijn dan korte en dat het onwaarschijnlijk was dat de hele breedte van het nekschild als aanhechtingsvlak werd gebruikt, iets waarvan het ook geen sporen draagt.
Een van de meest opvallende kenmerken van Mojoceratops is de mate waarin de grote parietaalvensters de wandbeenderen van het nekschild gereduceerd hebben tot een stelsel dunne beenbalken.
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl