Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Noter.

Noter

Noter betekenis

noteren

Voorbeeldzinnen (13)

Familie Pieter Frans De Noter (soms genaamd de Jonge) was de zoon van Pieter Frans De Noter (soms genaamd de Oudere) (Walem 1747 - Mechelen 1830), die tekenlessen had gevolgd en architect was.

Aanvankelijk volgde De Noter een opleiding als beeldhouwer bij de Mechelse meester Jan-Frans Van Geel, tot in 1793.

De Noter kon met voldoening het einde beleven van wat stilaan op een vervolging ging gelijken.

De Noter leefde van de verkoop van zijn tekeningen en aquarellen, en occasionele overheidsopdrachten.

Hadden kanunnik Triest en zijn opvolger kanunnik De Decker evenals de generaal-oversten De Noter en Banckaert steeds op goede voet met de bisschop en zijn medewerkers geleefd en weinig inmenging ondervonden, hierin kwam toen verandering.

Een pentekening die Jan-Baptist De Noter (1786-1855) maakte van het ‘Groot Begijnhof buiten de muren’.

Dezelfde dag kozen de zes broeders Bernardus De Noter tot hun overste.

In 1810 vestigde De Noter zich te Gent en omstreeks 1811 begon hij – aanvankelijk autodidact – te schilderen.

In de voormalige cisterciënzer Simon De Noter (1749-1832) vond Triest de ideale man om de jonge congregatie te leiden en van de jonge rekruten een hechte groep monniken te maken.

Tegelijk bleef hij tweede in bevel bij De Noter en werd door hem en door Triest opgeleid om verdere verantwoordelijkheid op zich te nemen.

De Noter schilderde in een nauwgezet-realistische stijl maar met een uitgesproken romantische sfeerschepping.

In het najaar van 1789 werd hij lid van het "Comité van Brussel" van de democraten (met Jean Joseph Torfs, Pieter Emmanual de Lausnay, J.Bpt.D. 't Kint, Alexandre Daubremé, Claude Joseph Fisco en De Noter).

Junior kwam aan de Houtlei in Gent wonen, samen met zijn broer Jan-Baptist De Noter.