Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Omkleden.

Omkleden

Omkleden | Omkleding

Omkleden betekenis

zich ~ andere kleren aandoen | met redenen ~: voorzien van deugdelijke argumentatie | omhullen

Voorbeeldzinnen (20)

Zij moet zich omkleden voor het feest van vanavond.

Ik ga me omkleden.

Ga je omkleden!

Tom is zich aan het omkleden.

Ik moet me omkleden.

Je moet je omkleden.

Ga je meteen omkleden.

Tom wil zich niet omkleden.

Ik moet me gaan omkleden.

Tom zal zich omkleden.

Ik zou me graag willen omkleden.

Yanni gaat zich omkleden.

Helaas kun je je nergens op het strand omkleden.

Ik moet gaan en me omkleden.

Ga jij je maar omkleden.

Ik kan me nu beter gaan omkleden.

Waar kan ik me omkleden?

Waar kan ik me omkleden.

Ja, en ik moet me omkleden.

Ik moet me omkleden voor de kerk.