Bekijk voorbeeldzinnen, synoniemen en woordvormen van Ontrouw.

Ontrouw

Ontrouw | Ontrouwe

Ontrouw betekenis

gedrag dat niet loyaal is | gebrek aan loyaliteit vertonend

Synoniemen van Ontrouw

Voorbeeldzinnen (20)

De mensen zijn ontrouw.

Mannen zijn ontrouw.

Tom is ontrouw.

Het contract vervalt bij ontrouw.

Maar als je ze ontrouw noemt, klagen ze je aan.

Omdat men zich ervan verzekert dat de vrouw niet tot ontrouw in staat is.

Dus als je geregeld een deal dat gaf hen vier paarden op de helft van hun marktwaarde en ze betaalden je terug, plus een extra aandeel op alles wat ze gemaakt, dat wouldn'tjust ontrouw zijn.

Als ik er alleen al aan denk... voel ik me ontrouw.

Ik heb ergens gelezen dat vrouwen meer neigen tot ontrouw wanneer ze ovuleren.

Je weet dat ik niet ontrouw kan zijn tegenover mijn kantoor.

In ruil voor een beetje ontrouw.

Wat voor ontrouw is hier afgebeeld?

De ruzie zou zijn gegaan over de vermeende ontrouw van de vriend van Riviera, aldus de politie.

En zo zijn er nog meer signalen waaraan je volgens haar kan herkennen dat er ontrouw aan de gang is.

Er zou geen sprake zijn geweest van ontrouw of ruzie.

Maar volgens de bron “kookte” prins William, de oudere broer van Harry, vanwege de ontrouw van zijn broer.

Of Hans, die in een relatie vol wantrouwen en ontrouw wilde laten zien: je kan me wél vertrouwen.

Ontrouw, onbetrouwbaarheid, het onvermogen van die mannen om over gevoelens te praten.

Ontrouw vergroot de competitie tussen mannetjes in hun zoektocht naar een partner.

Ook de ballingen voelden zich in zekere zin ‘vuil’: ze ervaarden hun ballingschap als een straf voor hun ontrouw aan God.