Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Onverbeterlijk.

Onverbeterlijk

Onverbeterlijk betekenis

van iets dat slecht is en toch niet beter kan worden dan dat het nu is) | dat iets zo goed is dat het niet beter kan worden dan dat het nu is

Voorbeeldzinnen (20)

Tom is onverbeterlijk.

Je bent onverbeterlijk.

U bent onverbeterlijk.

Jullie zijn onverbeterlijk.

Ja, de harde kern is onverbeterlijk, maar op dit moment zijn ze toch gehalveerd in de peilingen.

Je bent echt onverbeterlijk!

Wie drie keer in de fout gaat is blijkbaar onverbeterlijk en hoort nooit meer vrij te komen.

Saul leek ook onverbeterlijk.

Ze zijn behalve gestoord ook nog eens onverbeterlijk.

De officier vindt hem „onverbeterlijk” en denkt dat hij connecties heeft met de onderwereld.

Je hebt mensen die onverbeterlijk slecht zijn.

U bent graag onverbeterlijk dom me dunkt.

U bent gewoon onverbeterlijk', zei de rechter, die op 16 juli uitspraak doet.

Het gedrag van tegenstanders beschouwen zij als onverbeterlijk vijandig, waarbij makkelijk vergeten wordt dat zij ook als vijandig worden beschouwd door de tegenstander.

Aan zijn ballen ophangen s.v.p., onverbeterlijk, geen meelij en geen middelen voor vrijmaken.

Dat deze wijven gewoon durven te zeggen er begrip voor te hebben zegt alles: onverbeterlijk en levensgevaarlijk.

Een christenfundi met een wat kinderachtige bewondering voor de nobele wilde en onverbeterlijk lichtelijk arrogant geloof in de eigen rationalisatie van persoonlijke onderbuik gevoelens?

Mensen die nu nog VVD stemmen zijn ofwel onverbeterlijk optimistisch, ofwel volkomen losgezongen van de realiteit.

De woorden troffen mij met een - nou, vooruit - primitieve hartstocht die zo eigen is aan de onverbeterlijk religieuze mens.

Die zieke geesten zijn onaanspreekbaar, immuun voor kritiek en onverbeterlijk.