Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Overkleed.
Overkleed
Overkleed betekenis
kledingstuk dat over alle andere kleren wordt gedragen
Voorbeeldzinnen (11)
Ze sjorde aan haar overkleed dat scheef zat. Ze had zich zeker heel snel moeten aankleden.
Het was een lang, deftig overkleed voor heren van stand.
Bij formele gelegenheden draagt hij een overkleed van goud brokaten zijde met oude symbolen in rood, blauw, groen en geel.
De mannenkleding bestaat uit hemd, kleed, een korter overkleed, een gordel en mantel, en een soort broek of kousen (beenlingen of hosen).
De prinses stelt voor dat Heer Halewijn zijn overkleed uittrekt, zodat het niet met haar bloed besmeurd zal raken, en terwijl hij dit doet slaat zij zijn hoofd eraf.
Over de onderjapon draagt de vrouw een overkleed met open zijkanten en pofmouwen.
Zodoende is bekend dat de mijnwerkers veelal gekleed waren in een leren overkleed, met daaronder wollen onderkleding.
Er is nog iets: de aanstonds tegenwoordige gelukzaligheid waarmee de ziel na de dood wordt overkleed.
Jongeman in zwarte toog met wit overkleed, rechtopstaand met handen bijeen op borst.
Dan blijkt echter dat de koningsdochter een list heeft bedacht: ze stelt voor dat Heer Halewijn zijn overkleed uittrekt, zodat het niet met haar bloed besmeurd zal raken.
Ze maakt een strik van haar overkleed en bindt dit aan de Aśokaboom, maar haar vriendin Mālatikā ziet dit en snijdt de strik door.
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl