Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Passeer.

Passeer

Voorbeeldzinnen (20)

Pardon, ik passeer.

Als ik Driscoll passeer en 't levert niks op, heeft dat politieke gevolgen.

Eerst alle drie in dezelfde week aangereden, nu samen ten strijde voor veiligheid: “Elke keer dat ik dat zebrapad passeer.

Onderweg passeer je enkele bloemenranden, boeiende stops, prachtige gebouwen en smakelijke belevingen.

Tijdens de fietstocht passeer je onder meer langs het kasteel de Merode.

Bij een natuurlijke geboorte passeer je de anus van de moeder en krijg je automatisch wat stoelgang binnen.

Dan passeer ik de muur die tussen de wijk en de fabriek staat.

Op de wandeling passeer je 7 griezelborden.

Waar passeer jij dit weekend?

Wanneer ik mijn weg vervolg over de betonplaten die het plaveisel vormen van het fietspad door De Park, passeer ik na enige omwegen het bezoekerscentrum, om vervolgens uit te komen op de Notenlaan.

Zelfs met het vliegtuig passeer je eerder grondgebied van een EU land waar je dan eigenlijk zou moeten landen en asiel aanvragen.

Als ik huizen passeer als pedestriaan, ruik ik waar zwarten wonen, ruikt naar aangebrand vlees.

Ik passeer de grens dan bij Hengelo/Oldenzaal.

Ik passeer geen bloem meer zonder er vol aan te snuiven.

Ik passeer op weg naar kantoor dagelijks een tweetal waterbedrijven (grote poldergemalen om het Groene Hart droog te houden etc).

Nu kan ik mijn middelvinger er nog naar opsteken wanneer ik passeer.

Tevens passeer ik op dezelfde weg hele colonnes geparkeerde dienst autootjes van de dienstdoende rattenvangers van het Hoogheemraadschap.

Een probleem daarbij vormde het goederenvervoer: de lijn was tussen de aansluiting bij Zuidbroek en Veendam geheel enkelsporig en er waren geen passeer- of inhaalmogelijkheden voor goederentreinen.

Dagelijks passeer ik figuren met een Fikkie van het type vechthond die er op zijn minst op uit zijn om anderen te intimideren.

Een spoor-passeer-verbod is natuurlijk onzin: daarmee zeg je eigenlijk dat de Stint nooit veilig genoeg zal zijn.