Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Rok.

Rok

Rok betekenis

een voornamelijk door vrouwen (in o.a. Schotland ook door mannen) gedragen buis- of kegelvormig kledingstuk dat om de wordt gedragen en een deel van de benen bedekt | type avondkleding, rokkostuum | membraan [1], omhullend vlies, [3]

Voorbeeldzinnen (20)

Draagt men een lange rok dan kan men tijdens het doorbuigen van de knieën de rok met de handen oplichten zodat deze tijdens het buigen de grond minder raakt.

In heel wat historische kledij waren lijfje en rok twee losse kledingstukken die men in elkaar kon haken, wat de combinatie van een strak lijfje met een volumineuze rok toeliet.

Maria heeft drie algen kleding: een rode rok, daar overheen een zilveren rok en als top een blauw bovenkleed.

Hij verschuilt zich achter de rok (of onder de rok) van Jiyani.

Ik droeg een rok en zodra hij die zag, ging hij door het lint omdat de rok volgens hem te kort was.

Je kan ook een rok met overlay laagjes proberen, met een korte rok en een langere overlay waardoor je een speels laagjes effect creërt.

De meisjes staan er stil en verlegen te poseren eigenlijk, een met lange zwarte rok, de ander met kortere rok in gedempt rood.

Vandaag een kleine ruk naar 2 juweeltjes van eilanden wat verder van de kust, Ko Rok Nok en Ko Rok Nai.

Veertje draaide haar om en gaf me een tongzoen waarop ik antwoorde. voor dat veertje het wist trok ik haat trui omhoog en begon aan haar borsten te zuigen en streelde haar kutje (over haar rok heen) Al snel zat ik onder haar rok en in haar kut.

Wat zal ik aantrekken: een broek of een rok?

Ik zoek een warme, wollen rok.

Het hemd is nader dan de rok.

Ze was juist haar rok aan het strijken.

Ze had een rode rok aan.

Deze rok bevalt mij, mag ik hem even passen?

Mijn rok is te lang.

De rode rok is nieuw.

Ze maakte een rok van haar oude jurk.

Wie was het die gisteren deze rok kocht?

Waar heb je die rok gekocht?