Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Ruigten.

Ruigten

Ruigten | Ruigt

Voorbeeldzinnen (20)

De beklierde heggenroos komt voor op vrij droge, kalkhoudende grond op zeeduinen, zonnige bosranden, hellingen, in hagen, struwelen en grazige ruigten.

De eenjarige plant groeit in akkers en op braakliggende grond, in open bermen, ruigten en langs voetpaden, op stortplaatsen en bij molens.

De eenjarige plant groeit in ruigten en bermen, in hakvruchtakkers en op omgewerkte grond, op stortterreinen en andere ruderale plaatsen, soms in tuinen en kassen.

De gewone klit komt in bermen, ruigten en op open plekken in bossen.

De soorten komen voor in bermen, ruigten en op open plekken in bossen.

De spiesraket komt voor in ruigten op droge, kalkrijke grond.

Grijs havikskruid komt voor in bermen, grasland, langs spoorwegen, mijnsteenbergen, ruigten, bosranden, tussen straatstenen, op industrieterreinen en stortplaatsen.

Groeiplaatsen zijn bewerkte gronden, zeeduinen, voedselrijke ruigten, stortterreinen en zand- en grindstrandjes langs rivieren.

Het gebied is niet heel reliëfrijk en bestaat uit duinen, duinbossen, graslanden, duinheiden, struwelen, ruigten en plassen.

In de grienden en de ruigten komt een rijke plantengroei voor.

In de rietlanden, die over het algemeen met lage frequentie gemaaid worden, kunnen natte ruigten zich goed ontwikkelen.

Ze groeit in akkers en akkerranden, op braakliggende grond en hellingen, op muren en puinhopen, in humeuze ruigten en in sterk begraasde oude boomgaarden, in bermen, tuinheggen en in struwelen, in spoorbermen en op ruderale plaatsen.

Zij ligt in de blanke boorden der verzandingen in haar bochten, in het fluwelen groen van vlak gevlijde uiterwaarden, tussen de welige ruigten der grienden.

Schröder: “Maar voor de natuurontwikkeling willen we hier ooibossen aanleggen en ruigten laten ontstaan, waardoor uiteindelijk de waterstanddaling tussen de vier en zeven centimeter zal zijn.

De aandacht ging met name uit naar graslanden en ruigten.

Milieu en groeiplaats: natte tot vochtige, matig voedselrijke, humushoudende, zandige bodems; in ruigten, langs beken en riviertjes, langs berm- en spoorsloten, greppels en op taluds van spoordijken en kanalen; zon-tb.

Net als deze soort heeft de duinparelmoervlinder grote terreinen nodig met een mozaïek van zeer lage, open begroeiing en ruigten.

Vochtige ruigten langs bospaden en bosranden, open bossen en hoogvenen.

Vochtige ruigten op open plaatsen in een luwe omgeving, zoals ruige randen van vochtige hooi- of weilanden en natte, ruige graslandjes in beekbegeleidende bossen.

Allerlei plaatsen waar voldoende nectar te vinden is, zoals tuinen, parken, bosranden, ruigten, dijken en bermen.