Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Schachtlengte.

Schachtlengte

Voorbeeldzinnen (20)

Bij het opperarmbeen bevindt zich de top van de deltopectorale kam op 37% van de schachtlengte van de bovenkant gemeten.

Bij het opperarmbeen is de deltopectorale kam groter en sterker ontwikkeld, bijna de helft van de schachtlengte beslaand.

De binnenste richel begint halverwege het hoofdlichaam en de processus obturatorius en strekt zich schuin over de schacht uit, steeds dikker wordend alvorens met de voorrand samen te vallen, op de helft van de schachtlengte.

De bovenkant is ruw, bol en verbreed; de voorkant loopt over in een deltopectorale kam, het aanhechtingsvlak voor de spieren die de arm heffen, die 40 tot 50% van de schachtlengte beslaat, terwijl dat bij de meeste sauropoden maar een derde is.

De deltopectorale kam beslaat 44% van de schachtlengte en is relatief sterk naar buiten gedraaid.

De deltopectorale kam is driehoekig en hoog en bereikt zijn hoogste punt op ongeveer een kwart van de schachtlengte om tot ongeveer de helft daarvan in breedte verminderend door te lopen.

De deltopectorale kam is goed ontwikkeld, naar voren gericht en de helft van de schachtlengte beslaand.

De kam beslaat 40% van de schachtlengte en steekt sterk uit, zich naar beneden toe over tweemaal de schachtdikte verwijderend om in een plotse rechte hoek terug te keren.

De onderste buitenkant van het opperarmbeen heeft een golvende richel over een derde van de schachtlengte.

De vierde trochanter, het aanhechtingspunt op de achterzijde voor de staartspieren heeft een elliptische vorm en bevindt zich een derde van de schachtlengte onder de dijbeenkop.

Deze kam beslaat een uitzonderlijk groot deel van de schachtlengte van het opperarmbeen, wel twee derden.

Dit bovenaan recht maar onderaan iets naar achteren gebogen, uitlopend in een grote "voet" met een achterste uitsteeksel even lang als 46% van de schachtlengte dat schuin omhoog steekt.

Door de planten regelmatig aan te aarden kan een schachtlengte van 30 tot 40 cm bereikt worden.

Het eerste middenvoetsbeen is op de zijkant van het tweede geplaatst, op 40% van de schachtlengte van de onderkant af gerekend.

Het opperarmbeen heeft een deltopectorale kam die de helft van de schachtlengte beslaat.

Meet men de schachtlengte van het dijbeen in zijaanzicht, dan komt dit slechts uit op 136 centimeter.

Op de bovenste voorkant van het tweede middenvoetsbeen, een vijfde van de schachtlengte van het bovenvlak verwijderd, bevindt zich een bultje voor de aanhechting van de Musculus tibialis cranialis.

Vooral belangrijk is dat bij jonge dieren het opperarmbeen relatief niet kleiner is en de deltopectorale kam daarop, de aanhechting van de belangrijkste vliegspieren, met 38 tot 40% van de schachtlengte niet minder ontwikkeld.

De achterrand van het schouderblad heeft onderaan een zwelling op een kwart van de schachtlengte, welke nog voor de processus acromialis is gelegen.

De beenplaat tussen beide ossa pubis begint pas op de helft van de schachtlengte en is bovenaan meer puntig ingesneden.