Ontdek Schedelopening via 10+ voorbeeldzinnen uit het Nederlands. Ideaal voor taalgebruikers, schrijvers en taalliefhebbers.
Gebruik van Schedelopening
- In het voorbeeldencorpus komt schedelopening vaak voor in combinaties zoals: schedelopening de, grote schedelopening, de schedelopening.
Context rond Schedelopening
- Gemiddelde zinslengte in deze voorbeelden: 20.6 woorden
- Plaats in de zin: 6 begin, 8 midden, 6 einde
- Zinsoorten: 20 stellend, 0 vragen, 0 uitroepen
Corpusanalyse van Schedelopening
- In deze selectie staat "schedelopening" meestal in het midden van de zin. De gemiddelde voorbeeldzin telt 20.6 woorden en het corpus bestaat hier vooral uit stellende zinnen.
- Direct rond het woord vallen vooral grootste, vergrote en loopt op; die woorden geven extra context aan het gebruik van "schedelopening".
- Herkenbare gebruikssignalen zijn de grote schedelopening de fenestra en de grote schedelopening in de. Daardoor krijgt deze pagina eigen corpusinformatie en niet alleen losse voorbeeldzinnen.
- Qua corpusfrequentie ligt "schedelopening" dicht bij woorden als aandelenuitgifte, aanvinkt en aanzegging, wat helpt om het woord binnen de bredere woordenindex te plaatsen.
Voorbeeldtypes met schedelopening
Dezelfde corpuszinnen zijn hieronder uitgesplitst naar lengte en zinsoort, zodat je sneller ziet in welke soort context het woord voorkomt:
Hij is verhoogd door een vergrote schedelopening, de fenestra nasoantorbitalis. (10 woorden)
Tussen het postorbitale en het voorhoofdsbeen bevindt zich een schedelopening. (10 woorden)
De praemaxilla omvat een grote schedelopening die geïnterpreteerd is als het neusgat. (12 woorden)
De schedel, die achteraan nogal is beschadigd, is langgerekt (262 mm) en bovenop plat zonder kam; de fenestra nasoantorbitalis, de grote schedelopening, is driehoekig en beslaat een groot deel van de snuit. (32 woorden)
Boven de inkeping vormt de buitenzijde van de maxilla een iets naar achteren hellende voorste rand voor een grote inzinking, een fossa waarin de grote schedelopening, de fenestra antorbitalis, gelegen is. (31 woorden)
Anders dan bij de Stegosauridae, waar de fenestra antorbitalis (bijna) gesloten is, bestaat deze schedelopening hier nog in de vorm van een kleine driehoek met de stompste punt naar boven gericht. (31 woorden)
Voorbeeldzinnen (20)
Aan de bovenkant van het bovenkaaksbeen ligt een schedelopening, de fenestra antorbitalis, in een verzinking van het schedeloppervlak.
Achteraan valt de voorrand van de grote schedelopening in de zijwand, de fenestra nasoantorbitalis, buiten het fossiel.
Boven de inkeping vormt de buitenzijde van de maxilla een iets naar achteren hellende voorste rand voor een grote inzinking, een fossa waarin de grote schedelopening, de fenestra antorbitalis, gelegen is.
De fenestra antorbitalis, de grote schedelopening, is driehoekig en loopt tot ongeveer halverwege de schedel.
De fenestra maxillaris, een schedelopening, is vergroot en bevindt zich direct boven de fenestra promaxillaris, een normaliter meer naar voren liggende opening.
De grootste schedelopening, de fenestra antorbitalis, is daarentegen relatief klein, ook ten opzichte van zijn eigen fossa, omringende uitholling die vooraan opvallend afhangt in een druppelvormige punt.
De grote schedelopening, de fenestra antorbitalis, loopt naar voren op, eindigend in een afgeronde punt.
De praemaxilla omvat een grote schedelopening die geïnterpreteerd is als het neusgat.
De schedel, die achteraan nogal is beschadigd, is langgerekt (262 mm) en bovenop plat zonder kam; de fenestra nasoantorbitalis, de grote schedelopening, is driehoekig en beslaat een groot deel van de snuit.
De schedelopening, de fenestra nasoantorbitalis, heeft een wat bolle onderrand en een schuine (120°) rechte achterrand waarachter de schedel 150° naar achteren helt; de oogkassen staan erg laag.
De schedelopening die daarvoor ligt, de fenestra antorbitalis, is half zo groot, kort en hoog.
Dit laatste loopt zelf aan de onderkant uitzonderlijk ver naar voren tot voorbij de helft van de schedelopening.
Hij is verhoogd door een vergrote schedelopening, de fenestra nasoantorbitalis.
Hooggeplaatst is ook de kleine driehoekige fenestra antorbitalis, de schedelopening die bij latere ornithischiërs vaak geheel gesloten is.
Hun zijkanten vormen afgeronde gladde richels boven de zijkanten die vermoedelijk uitlopers zijn van de uitholling rond de fenestra antorbitalis, de grote schedelopening in de snuit.
Tussen het postorbitale en het voorhoofdsbeen bevindt zich een schedelopening.
Vanaf de bovenkant van die schedelopening loopt een slanke processus nasalis, een uitsteeksel, naar beneden in een rechte hoek met de kaaklijn.
Vóór de oogkas bevindt zich een niet al te grote schedelopening, de fenestra antorbitalis.
Anders dan bij de Stegosauridae, waar de fenestra antorbitalis (bijna) gesloten is, bestaat deze schedelopening hier nog in de vorm van een kleine driehoek met de stompste punt naar boven gericht.
De bovenste helft van de achterste tak richting jukbeen, die lang slank en schuin naar beneden gericht is, wordt beslagen door de uitholling voor de grote schedelopening, de fenestra antorbitalis.
Veelvoorkomende combinaties met schedelopening
Deze woordparen komen het vaakst voor in Nederlandse teksten:
- schedelopening de 18×
- grote schedelopening 17×
- de schedelopening 11×
- schedelopening vóór 7×
- schedelopening is 5×
- een schedelopening 4×
- schedelopening die 3×
- schedelopening in 2×
- grootste schedelopening 2×
- kleine schedelopening 2×
Veelgestelde vragen
Hoe gebruik je "schedelopening" in een zin?
Hoeveel voorbeeldzinnen met "schedelopening" zijn er?
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl