Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Schedelopeningen.
Voorbeeldzinnen (17)
Bij het levende dier waren die vermoedelijk bedekt met hoornlagen en grotere schubben zodat de schedelopeningen waarboven de huid gladder was duidelijk afstaken tegen de delen waar het bot vlak onder het huidoppervlak lag.
De achterste schedelopeningen, twee per zijde, die alle Diapsida oorspronkelijk bezitten, werden hierdoor echter niet gesloten.
De geringe hoogte hangt ook met de lichte bouw samen: het zijn vooral de onderste schedeldelen tussen de schedelopeningen en de lijn van de bovenkaak die erg dun zijn.
In de schedel bevinden zich grote schedelopeningen.
In feite zijn deze schedelopeningen erg klein en naar voren geschoven zodat ze vrijwel recht vooruit gericht zijn; ook de neusgaten zijn smal en bevinden zich voor op de stompe snuit.
De fenestrae antorbitales, de schedelopeningen vóór de oogkassen, zijn kort en hoog.
De squamosa vormen slanke bogen achter deze schedelopeningen; deze beenranden gaan krommend over in de door de wandbeenderen gevormde achterrand van het schedeldak dat zo sterk ingekeept wordt.
Hun dikte droeg vermoedelijk bij aan de beperkte grootte van de schedelopeningen doordat die aan hun randen dichtgroeiden.
In feite zijn deze schedelopeningen erg klein en naar voren geschoven zodat ze vrijwel recht vooruit gericht zijn; ook de neusgaten zijn smal en bevinden zich voorop de stompe snuit.
Ondanks de algemene lichte bouw zijn de schedelopeningen klein, zodat het geheel toch een vrij massieve indruk maakt zonder duidelijke schedelnaden.
Ook betekent het dat de precieze omvang van de drie grootste schedelopeningen, de fenestra antorbitalis, de oogkas en het onderste slaapvenster niet vastgesteld kan worden, terwijl die bepalend zijn voor de algehele schedelvorm.
Van het verhemelte zijn alleen zijwaarts stukken zichtbaar door de schedelopeningen.
De gebruikelijke schedelopeningen hebben een beperkte omvang.
Die zouden echter niet dezelfde omvang kunnen hebben gehad als Dimorphodon zelf: de toch wat zwakke beenstijlen tussen de schedelopeningen beperkten de maximale bijtkracht.
Dit richt de grootste schedelopeningen — neusgaten, fenestrae antorbitales, oogkassen — schuin naar boven.
In de schedel zijn verschillende schedelopeningen, de fenestra antorbitalis en het bovenste en onderste slaapvenster, niet gesloten of overgroeid, een basaal kenmerk.
Ook andere theropoden hebben vaak grote schedelopeningen; bij Velociraptor leiden die tot een uitzonderlijke grote beweeglijkheid van de schedeldelen onderling.
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl