Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Skaat.

Skaat

Skaat | Skaatsen

Skaat betekenis

Duits kaartspel dat men speelt met 3 personen en 32 kaarten

Voorbeeldzinnen (8)

Als hij "zonder drie" speelde en klaverenboer ligt in de skaat, dan speelt hij ineens "met één", hetgeen twee factoren minder is.

Als zijn bediende hem zijn rok overhandigde voor het concert, stond hij op van het werk, reed naar de concertzaal en dirigeerde met dezelfde zekerheid en rust waarmee hij ’s middags skaat had gespeeld.

Het spel ontleent zijn naam aan twee naast elkaar op tafel neergelegde kaarten, gezamenlijk aangeduid met skaat.

Hij neemt de Skaat niet en haalt 91 punten.

Het woord skaat is etymologisch verwant aan het Italiaanse scartare en Franse écarter, wat zoveel betekent als wegleggen.

Iedere speler ontvangt tien kaarten; de twee overgebleven kaarten vormen de skaat.

Neemt men de Skaat op en gaat men nat, dan telt het verlies dubbel.

Nu wordt de Skaat, ook als hij niet wordt opgenomen altijd voor de speler gerekend met de daarin gelegen punten.