Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Smoor.

Smoor betekenis

damp, nevel, mist | de ~ in hebben: ergens boos over zijn | smoorverliefd

Voorbeeldzinnen (20)

Waarom zou ik anders 3 jaar geleden helemaal smoor op je zijn in die bus en je dan nooit bellen ?

En 't is mijn schuld niet als die lul smoor op me werd.

Voor de deur, ook China en toch zo ver weg: logisch dat Beijing de smoor in heeft?

Ik ben twee jaar lang verliefd geweest op een getrouwde man, en hij was ook smoor op mij.

Zo smoor je wantrouwen, geldstress en financiële ontrouw in de kiem.

Het is inmiddels verleden tijd en nu is alles open, maar toen had ik de smoor in.

Mevrouw Smoor is benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Hij brengt opgewarmd eten en hout voor de open haard, de rest moet Smoor zelf maar halen uit de houtopslag.

Tom Poes komt juist terug uit Akel en hoort van de dwerg Smoor dat zijn klam weg is.

Natuurlijk ben je smoor op je kinderen.

En terecht: smoor maar in je eigen vet gaar.

Fruit wat ui en smoor het in stukken gesneden vlees.

Ieder argument ontbreekt en ieder gezond gesprek erover smoor je zodoende in de kiem.

Wat zullen ze er de smoor in gehad hebben op Schier.

Er waren alle soorten verliefden: Sylvie Smets en Nick Nauwelaers zijn momenteel smoor op hun zoontje Stan, die twee weken geleden geboren werd.

Dus keek Warmunda tevreden terug op de derby tegen ASC, terwijl de Oegstgeestse club er de smoor in had.

En smoor de pijn, is het advies, met een onbekende drug, gemaakt in iemands keuken.

Dan heb ik het gevoel dat ik iets smoor in mijzelf.

Ik kan het ook mijn gezin niet aandoen steeds met de smoor in thuis te komen’’, zegt De Ringh zonder schroom.

Pessoa had zaterdagavond goed de smoor in.