Voorbeeldzinnen (20)
Hij sneed de wortels terwijl ik de uien sneed.
Hij sneed de lappen en zij sneed de vleeswaren en rekende af.
Hij sneed ruimten open, sneed delen uit vloeren en plafonds en gaf een doorkijk door meerdere verdiepingen van een gebouw.
Ik sneed met een beitel op een dag een groep figuren in het zink en sneed ook bootjes in stukken zink.
Daarna sneed hij ze de keel af of onthoofdde hij ze, waarna hij hun lichamen doorgaans in stukken sneed.
Hij sneed een stuk vlees af.
Hij sneed een houten boeddhabeeldje.
Zij sneed de appel met een mes.
Ze sneed de appel in tweeën.
Zij sneed de taart in 6 stukken en gaf aan elk kind een stuk.
Ze sneed haar vinger aan een glasscherf.
Hij sneed het vlees met een mes.
Hij sneed een tak van de boom met zijn mes.
Hij sneed het touw met zijn tanden.
De gastheer sneed de kalkoen aan voor de gasten.
Moeder sneed de kaas met een mes.
Hij sneed de appel in twee helften.
Tom sneed het deeg in twee gedeelten.
Tom sneed de aardappelen.
Wie sneed de meloen?
Bekijk perfecte rijmwoorden, halfrijm en assonantie op WatRijmtOp.nl