Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Snotterig.

Snotterig

Snotterig | Snotterige | Snotterigheid

Snotterig betekenis

met een verstopte neus waar slijm uitkomt

Voorbeeldzinnen (16)

Tom is een snotterig kind.

Maar niet ingedroogd en zeker niet snotterig.

Als je een beetje snotterig bent van de griep kwam je vroeger ook gewoon naar werk.

Zat ook op zo,n slap snotterig stukje rubber, bij onze muziekles zaten ze vastgelast.

Precies dit: collega kwam na een week ziek na een Pfizer snotterig op t werk; fijn middeltje, gaat leuk worden.

Sommige ziektegevallen werden niet gemeld, gewoon een beetje snotterig, maar geen reden om de dokter te bellen.

Maar dit keer niet, ik bleef maar benauwd en snotterig”, kijkt hij terug.

Sterker: de grootste kans is dat je er helemaal niets van merkt, of hooguit een weekje snotterig en verkouden bent.

Een duffe maar snotterig pantheon voor de Gütmensch en co.

Het knikt Ja-en Amen en Het kruipt snotterig door het plasje.

Minder snotterig als Jack moet kunnen.

Als de dromen van Danton in duigen vallen, laat Hans Kesting zijn titelfiguur in een snotterig huilen uitbarsten.

Dat wordt dus weer een moppie Air van Bach, een grafkrans van witte anjers, en een koffietafel met taaie rosbief, snotterig wittebrood en dito toespraken.

Het is grijs en regenachtig buiten, je bent snotterig en het is pas dinsdag.

En als ze zowat allemaal 'snotterig' zijn?

Ik ben vaak snotterig en benauwd, en de dierenarts heeft gezegd dat ik een soort astma heb.