Bekijk voorbeeldzinnen, synoniemen en woordvormen van Staathuishoudkunde.

Staathuishoudkunde

Staathuishoudkunde betekenis

de leer van de financiële huishouding van een landelijke overheid; de leer betreffende het bestieren van een land | de wetenschap die zich bezighoudt met de keuzes die mensen maken bij de productie, distributie en consumptie van goederen en diensten

Synoniemen van Staathuishoudkunde

Voorbeeldzinnen (20)

Tevens kreeg hij dat jaar een functie als gewoon hoogleraar koloniale staathuishoudkunde aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool en een functie als buitengewoon hoogleraar tropisch-koloniale staathuishoudkunde aan de Universiteit Leiden aangeboden.

De Coux was een van de pioniers onder de economisten die de ambitie hadden een 'christelijke staathuishoudkunde' tot stand te brengen.

Hij promoveerde in 1888 ook tot doctor in de sociale wetenschappen en verwierf in 1892 een speciaal doctoraat in de staathuishoudkunde.

Hij werkte ook mee aan pre-adviezen van de Vereniging voor de Staathuishoudkunde.

Openbare les uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van lector in de staathuishoudkunde aan de Nederlandsche economische hoogeschool van Rotterdam op 26 april 1955.

Vanaf 1933 doceert hij de cursussen Staathuishoudkunde en Sociale Wetgeving aan de faculteit Rechten.

Vier jaren later volgde zijn benoeming tot hoogleraar in de staathuishoudkunde, de arbeidswetgeving, het mijn- en handelsrecht.

Maar de Eerste Kamer is geen Vereniging voor Staathuishoudkunde.

Onder de wetenschappelijke studiën zijner laatste jaren, bekleedde die der staathuishoudkunde eene eerste plaats.

Hun zoon Jan Ackersdijck was een econoom en hoogleraar staathuishoudkunde aan de Universiteit van Utrecht van 1840 tot 1860.

Hij behaalde onder meer de middelbare akte staathuishoudkunde.

Hij was een van de eerste geleerden op het gebied van staathuishoudkunde en statistiek in Nederland.

In 1939 deed hij in het Hoger Beroepsonderwijs nog een M.O. staathuishoudkunde en statistiek.

Op 21 juli van hetzelfde jaar werd hij buitengewoon hoogleraar in de geschiedenis der staathuishoudkunde aan de gemeentelijke universiteit te Amsterdam, en bleef dit tot 1894.

Bij de aanvaarding van het hoogleraarschap sprak hij op 23 november 1896 de rede "De ontwikkeling der staathuishoudkunde tot sociale economie".

Hij doceerde voornamelijk aardrijkskunde en staathuishoudkunde.

Hoofdstukken uit de geschiedenis der staathuishoudkunde.

In het Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek: De Rijnvaart (X)); over Agaten (XX).

In het volgende jaar in 1877 werd hij tevens hoogleraar staathuishoudkunde en statistiek aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam, waar hij tot 1885 in dienst bleef.

Uiteindelijk legde hij in 1909 het doctoraalexamen af en in 1910 promoveerde hij in Leiden op het proefschrift Tropisch-koloniale staathuishoudkunde met Cornelis van Vollenhoven als promotor.