Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Stadscentrum.

Stadscentrum

Stadscentrum betekenis

het middelste gedeelte van een stad, waar vaak een belangrijk deel van het openbare leven zich afspeelt | binnenstad

Voorbeeldzinnen (20)

De Passerelle is gebouwd tussen 1859 en 1861 om het stadscentrum te verbinden met het nieuwe spoorwegstation, dat niet in het stadscentrum lag om de vestigingswerken te kunnen behouden.

Een traject Parijs/Brussel – Londen met Eurostar gaat vandaag al heel snel van stadscentrum tot stadscentrum.

Verder is er op Plein 1944 in het stadscentrum van Nijmegen nog een busstation, wat zorgt voor een goede verbinding van en naar het stadscentrum.

Deze treinverbinding kan concurreren met vlieg- en autoverbindingen omdat de trein direct van stadscentrum naar stadscentrum rijdt.

Het stadscentrum zou moeten gesloten zijn voor alle niet-voetgangersverkeer.

Ik ga naar het stadscentrum.

De bus zal u naar het stadscentrum brengen.

Zijn kantoor bevindt zich in het stadscentrum.

Het park bevindt zich in het stadscentrum.

Omdat hij niets te doen had, ging hij naar het stadscentrum.

Het stadscentrum is het hart van de stad.

Wegens de herontwikkeling van het stadscentrum lijkt het omgevingsgebied op een bouwterrein.

Welke trein gaat naar het stadscentrum?

Ik ga meerdere keren per week naar het stadscentrum.

Ik woon in het stadscentrum.

Stel je een grote stad voor. Misschien zijn in deze stad winkels, kroegen, disco's, bioscopen en zo voort tot laat in de nacht geopend. Op de straten en pleinen in het stadscentrum gaat het ook ‘s nachts nog vrolijk toe. Je kunt wat ondernemen, wat meemaken.

Waar is het stadscentrum?

Ze bouwen een nieuwe wolkenkrabber in het stadscentrum.

In het stadscentrum wordt een bioscoop gebouwd.

De stadsplanners hopen dat de nieuwe bedrijven het stadscentrum nieuw leven zullen inblazen.