Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van Stoor.

Stoor

Voorbeeldzinnen (20)

Stoor me alsjeblieft niet als ik sta te praten.

Sorry dat ik je stoor.

Ik stoor toch niet, wel?

Ik hoop dat ik je niet stoor.

Stoor me niet.

Ik stoor me er niet aan.

Ze storen me en ik stoor ze ook.

Ik hoop dat ik u niet stoor.

Stoor haar niet.

Stoor hem niet!

Sorry dat ik stoor, maar er is iemand aan de telefoon voor je.

Ik heb het gevoel dat ik je stoor.

Het spijt me dat ik u op het werk hiermee stoor.

Sorry dat ik je zo laat stoor.

Ik stoor me aan zijn aanwezigheid.

Stoor mij niet meer.

Ik stoor toch niet, zeker?

Sorry dat ik stoor, maar ik moet naar Malheureux Point.

We hebben 'n stoor zender.

Sorry dat ik u stoor, ms Davenport, Dit meisje zei dat ze echt Clark moest spreken.