Bekijk voorbeeldzinnen en woordvormen van T-shirt.

T-shirt

T-shirt betekenis

dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag

Voorbeeldzinnen (20)

Het is maar tien graden, en hij loopt in een T-shirt buiten. Ik krijg het al koud als ik naar hem kijk.

Ik heb mijn T-shirt gewassen.

Dit T-shirt is te klein voor mij.

Wat? Dit T-shirt kost drieduizend yen? Dat is afzetterij!

Vind je dit T-shirt leuk?

Doe je T-shirt uit en ga liggen.

Welk T-shirt zal ik aandoen?

Ik draag vaak een spijkerbroek en een T-shirt.

Tom droeg een spijkerbroek en een wit T-shirt.

Tom trok zijn spijkerbroek en T-shirt aan.

Vind je mijn T-shirt leuk?

Hij wast zijn T-shirt.

Welke T-shirt is rood?

Ik waste mijn T-shirt.

Ik kocht een T-shirt.

Is dat jouw T-shirt niet?

Vrijwilligers krijgen een T-shirt.

Ik hou van jouw T-shirt.

Tom won een T-shirt.

Sami droeg een T-shirt.